Ontwikkelingsgericht onderwijs op de Koningin Wilhelmina School

In de groepen 1/2 en 3 werken wij Ontwikkelingsgericht.
Deze onderwijsvisie legt de nadruk op de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit van kinderen. Bij ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) is het van belang dat kinderen uitstijgen boven hun huidige niveau, naar de zone van naaste ontwikkeling.

De inspirator van deze visie op onderwijs is Frea Janssen-Vos. Zij onderbouwt de waarde van onderwijs aan het jonge kind met leerpsychologie van Lev Vygotsky. De doelstelling van OGO is het stimuleren van kinderen om hun volledige persoonlijkheid te ontwikkelen.

Principes

Het belangrijkste principe is de zone van naaste ontwikkeling. Het kind ontdekt vanuit zijn eigen ontwikkeling wat op het randje van zijn kunnen en nog niet kunnen ligt.

Bij OGO staat de brede persoonsontwikkeling van leerlingen centraal. Deze brede ontwikkeling omvat alle intelligenties. Daarbij is het de gedachte dat de leerkracht in het contact met de kinderen niet enkel specifieke kennis en vaardigheden overdraagt, maar dat de ontwikkeling van de leerling daarnaast ook beïnvloedt wordt door de context en de cultuur.

Een ander principe is dat het kind ontwikkelbaar is. De ontwikkeling van een kind is te beïnvloeden, het is dus geen vaststaand proces. Betekenisvolle activiteiten en inhouden leveren een belangrijke bijdrage aan deze ontwikkelings- en leerprocessen. Er is onderscheid tussen ontwikkeling en leren: ontwikkeling is een veelomvattend proces, leren wordt toegepast bij overzichtelijke processen.

Bij OGO is zingeving erg belangrijk. Het geleerde moet verinnerlijkt worden. Ook is het van belang dat de leerling weet wat het nut is van het geleerde. Daarnaast moet de leerling in staat zijn om het geleerde in verschillende contexten toe te passen.

Tenslotte hecht OGO grote waarde aan reflecteren en observeren. Door middel van observatie zoekt de leerkracht wat de leerlingen zelf willen en al (bijna) kunnen. Daar stemt de leerkracht het onderwijsaanbod op af. Vervolgens reflecteert hij/zij of het goed zo goed is. Op basis van de reflectie past de leerkracht het aanbod van activiteiten weer aan.

Werken met thema’s

Ontwikkelingsgericht onderwijs werkt met thema’s. Een thema duurt circa zes tot acht weken. Het is daarom noodzakelijk dat je verschillende kanten op kan met een thema. Natuurlijk is het van groot belang dat de kinderen het thema interessant vinden. Vaak komt er in de klas een onderwerp naar voren, waar de kinderen meer over willen weten. Dat werkt de leerkracht dan uit tot een thema. Bij het thematiseren verbindt de leerkracht zijn bedoelingen met de betekenissen van kinderen. Kleuterleerkrachten bedenken ook nieuwe activiteiten voor de hoeken in de klas, zodat het hoekenspel nieuwe impulsen krijgt. Thematiseren vraagt om voorbereiding, oefening, observatie, reflectie, in elke fase van het thema.

Activiteiten

Ontwikkelingsgericht onderwijs maakt onderscheid tussen vijf kernactiviteiten, die de basis leggen voor verdere leerprocessen. Die activiteiten zijn:

  • Spelactiviteiten
  • Constructieve en beeldende activiteiten
  • Gespreksactiviteiten
  • Lees- en schrijfactiviteiten
  • Reken- en wiskundige activiteiten

Een thema begint met een startactiviteit. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor:

  • Een schatkist, waarin allerlei voorwerpen zitten die met het thema te maken hebben. De leerlingen raden dan wat het thema is.
  • Een bezoek brengen aan de markt, de kinderboerderij of wat het onderwerp ook mag zijn. Hierdoor raken de kinderen gelijk betrokken bij het thema en krijgen ze ideeën om in hun spel te verwerken.
  • In tweetallen een voorwerp ontdekken en bespreken. Daarna gaat iedereen in de grote kring en koppelt de leerkracht terug. Het kan ook in een keer in de kring, maar vooral kleine groepsactiviteiten zijn geschikt om samen te denken, te praten en te werken. Kinderen leren veel door interactie.

Een thema eindigt met een afsluitactiviteit. Dat kan op diverse manieren:

  • Een winkeltje maken en iets verkopen.
  • Een restaurant openen en iets lekkers bakken.
  • Een krant of boekje maken.
  • Een tentoonstelling of presentatie maken in de klas.
  • Een voorstelling houden voor ouders of medeleerlingen.

De leerkracht als ontwerper

Bij ontwikkelingsgericht onderwijs ontwerpt de leerkracht thema’s en kernactiviteiten en koppelt daarbij kennis en vaardigheden aan sociaal-culturele activiteiten. Op die manier stimuleert hij/zij een brede ontwikkeling. Bij het ontwerpen van spelactiviteiten zoekt de leerkracht naar mogelijkheden, die uitnodigen tot verkenning en expressie. Vaak zorgt de leerkracht ook voor input bij het rollenspel. Bij OGO neemt het rollenspel ook een grote plaats in, omdat kinderen dan spelenderwijs zich leren verplaatsen in andere personen en situaties. De leerkracht verwerkt in de activiteit ook vaak een probleem, zodat de kinderen uitgedaagd worden om een oplossing te zoeken.

De leerkracht als deelnemer

Bij OGO is de leerkracht meer dan een aanmoediger, die buiten spel blijft staan. Hij/zij is ook deelnemer aan de activiteiten. De grondgedachte hierachter is dat ontwikkeling berust op begeleide deelname aan betekenisvolle activiteiten.

De leerkracht heeft een stuwende rol en is steeds op zoek naar kansen om de activiteit te verdiepen en te verbreden. Oog voor de inhoud en uitvoering van de activiteit is onmisbaar.

De gulden middenweg

Ontwikkelingsgericht onderwijs verbindt een leerlinggerichte pedagogiek met een activerende didactiek. Het staat tussen methodegerichtheid en leerlinggerichtheid, waarbij van beide aanpakken de goede kanten gebruikt worden. Tegelijkertijd vermijdt OGO de valkuilen van beide aanpakken. Het gevaar aan methodegerichtheid is dat de leerlingen ondergeschikt worden aan de methode. En bij een te sterke leerlinggerichtheid is het gevaar dat de leerkracht te afwachtend is om te zien wat de leerling al kan. OGO is dus de gulden middenweg.